Aantal legerpredikanten blijft op peil

Op het aantal geestelijke verzorgers binnen de krijgsmacht hoeft niet verder te worden bezuinigd. Dat blijkt uit een brief die minister Hennis van Defensie dinsdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De minister stelt in die brief de omvang van de geestelijke verzorging voor 2016 vast op 132 personen. De verdeling tussen de verschillende denominaties is dan als volgt: 45 protestantse, 43 rooms-katholieke en 38 humanistische geestelijke verzorgers. De bewindsvrouw moet nog een besluit nemen over het aantal joodse, Hindoestaanse en islamitische medewerkers. Nu werken er twee verzorgers voor elk van deze drie denominaties.

Irak,As Samawah, Camp Smitty, 16 november 2003. ©Jens Grijpstra, Koninklijke Marine Op zondag 16 november 09.00 uur vond er op Kamp Smitty een bijzondere kerkdienst plaats. Bijzonder omdat dit de laatste dienst van Pater Peelen van SFIR I en de eerste di

In 2011 waren er nog 150 geestelijke verzorgers in dienst. De dienst geestelijke verzorging hield echter al enkele jaren rekening met bezuinigingen, waardoor het aantal medewerkers is gedaald tot 125.

Het aantal geestelijke verzorgers moet naar beneden, vanwege de krimp van het aantal militairen. Het aantal soldaten nam vanwege bezuinigingen sinds 2011 af met circa 15 procent tot 43.216 in 2014. De prognose voor 2016 is dat dit verder terugloopt naar 41.194. Voor de geestelijke verzorging zou dit een verlies van 23 arbeidsplaatsen betekenen. De Tweede Kamer nam in 2012 echter een motie aan die werd ingediend door CU-Kamerlid Segers. Daarin stelde hij dat „geestelijke verzorging zo veel mogelijk moet worden ontzien bij bezuinigingen op Defensie.” De minister houdt zich aan die wens.

De bewindsvrouw baseert haar besluit op een advies uit 2014 van een stuurgroep onder leiding van dr. Ton Bernts van het onderzoekscentrum Kaski. De stuurgroep raadde aan om de primaire functie van de geestelijke verzorging, het beschikbaar zijn op de werkvloer, onverkort in stand te houden. En om het aantal geestelijke verzorgers gelijke tred te laten houden met de omvang van de krijgsmacht. De minister neemt dit advies over.

Hoofdkrijgsmachtpredikant Klaas-Henk Ubels, verantwoordelijk voor de protestantse geestelijke verzorging bij de krijgsmacht, kan zich vinden in het rapport van de commissie. „Er is op een zorgvuldige wijze gekeken in hoeverre de bezuinigingen binnen Defensie kunnen worden doorgevoerd naar de geestelijke verzorging. Door vacature­management is ons personeels­bestand de achterliggende jaren al drastisch afgenomen, zodat wij gelukkig geen mensen hoeven te ontslaan.”

Momenteel zijn er 42 protestantse geestelijke verzorgers in dienst, van wie er één dit jaar met pensioen hoopt te gaan. De minister heeft het aantal krijgsmachtpredikanten voor 2016 vastgesteld op 45. Ubels is daarom nog op zoek naar vier legerpredikanten. „De afgelopen tijd zijn wij een grote wervingscampagne gestart. We ontvingen wel 64 sollicitaties. Binnenkort hopen we een aantal benoemingen te kunnen melden.”

De deskundigen inventariseerden voor het eerst sinds 1991 de geestelijke behoeften en voorkeuren van de militairen. Bijna 60 procent van de militairen op de werkvloer heeft het afgelopen jaar weleens contact gehad met een geestelijk verzorger. Een kwart van hen voerden intensievere gesprekken.

Twee derde van de militairen vindt de geestelijke verzorging voldoende tot goed bereikbaar; een heel kleine groep vindt haar slecht bereikbaar.

Religie van militairen

Het onderzoek bracht voor het eerst de religieuze achtergrond van militairen in kaart. Bijna de helft zegt dat hij of zij zich niet verbonden voelt met een religie of levensbeschouwing. Het aandeel rooms-katholieken en protestanten is gelijk, beide 19 procent. Negen procent noemt zich humanistisch en 1 procent joods, islamitisch of Hindoestaans.

De helft (48 procent) van de soldaten zegt voorkeur te hebben voor een geestelijke verzorger van een bepaalde denominatie. Deze 48 procent is als volgt verdeeld: 16 procent voor een protestantse geestelijk verzorger, 15 procent voor een rooms-katholieke geestelijk verzorger, 13 procent voor een humanistische raadsman/-vrouw, 3 procent anders, en minder dan 1 procent voor een geestelijk verzorger uit een van de kleine denominaties; 52 procent geeft aan geen voorkeur te hebben.

Volgens de deskundigen geeft deze uitslag „aanleiding tot een bezinning op de vanzelfsprekende denominatieve nadruk in de organisatie van de geestelijke verzorging binnen de krijgsmacht.”

Bron: Reformatorisch Dagblad, 25 februari 2015

Beeld: NIMH